| wedstrijden

05-10-09

Welkom in de 'vervangingseconomie'

Ik ben net als u, de gedachte aan een ‘nulgroei’ als doelstelling lijkt me op eerste zicht absurd.

 

Nulgroei, dat is stagnatie, en stagnatie is achteruitgang. Niet alleen zou alle creative motoriek uit de maatschappij worden gehaald, maar bedrijven zouden geen motivatie meer hebben hun –misschien heel nuttige- producten naar een ruimere doelgroep te brengen, miljoenen jobs zouden verloren gaan gezien niemand meer nieuwe investeringen zou willen doen –investeren voor wat?-, noch zouden ze enige reden hebben nieuwe arbeidskrachten aan te werven of mensen op te leiden, erger nog: wat met de publieke financiën, zouden die niet te lijden hebben aan een nulgroei? De overheidsmiddelen zouden weliswaar constant blijven, maar ze zouden geen ruimte bieden voor nieuwe initiatieven, voor nieuwe dienstverleningen aan de bevolking –laat staan om de bestaande te handhaven. En wat met bedrijven en hun aandeelhouders, zouden zij in een nulgroei-economie tevens niet meer groeien, geen nieuwe markten meer ontginnen, geen nieuwe producten meer ontwerpen? Zou dat niet ten koste gaan van ons allemaal, als consument, als aandeelhouder, als werknemer, als burger ? Ja, wellicht, maar mijn vraag is:

 

is dit noodzakelijk zo ?

 

Niet noodzakelijk, als u de nulgroei-economie eerst en vooral ziet als een vervangingseconomie, want daarin kan creativiteit en innovatie nog steeds lonend zijn, daarin kunnen lonen nog steeds stijgen, daarin kan welvaart en activiteit nog steeds groeien. Het belangrijkste in dit idee is dat innovatie niet noodzakelijk efficiëntieverbetering als doel moet hebben; daar gaan jobs aan verloren, en dat maakt economische groei dan weer noodzakelijk. Innovatie in de nulgroei-economie kan zich beter volledig toespitsen op het creëren van nieuwe producten of diensten, op het bevredigen van nog onbestaande behoeften –of zelfs het creëren ervan.

 

Dit laatste mag dan weer schokkend klinken: het creëren van behoeften? Ja, waarom niet, dit kan perfect zonder associatie met meer luxe, naar meer materiële producten, naar meer onbehouden consumptiedrang... ook onthouding en leegte kan een behoefte zijn, en ook daar kunnen –en werden reeds- diensten en producten voor ontworpen, hoe gek dit ook moge klinken. Bij wijze van voorbeeld: mocht iedereen plots aan zen-yoga doen dan zou dit een behoefte creëren aan begeleiders (en dito meditatiecentra) die veruit de huidige werkkracht van management consultants overtreft, in om het even welk land. Dit is wat ik bedoel met de vervangingseconomie, en deze kan perfect samengaan met een nulgroei, zonder aan werkgelegenheid –en aan welvaart- in te boeten.

 

Het voorbeeld hierboven zal op hoongelach worden onthaald door mensen die niet met yoga bezig zijn, vandaar een ander voorbeeld: het verlies aan werkgelegenheid van het laatste jaar in de automobiel- en staalsector zou ruimschoots kunnen worden gecompenseerd door nieuwe sectoren te creëren voor deze arbeidskrachten. Een naïef voorbeeld: laat de tweeduizend werknemers van Opel Antwerpen, na een gratische opleiding in groene energie, zonnepanelen op elke overheidsgebouw plaatsen en laat ze daarna onder goede voorwaarden een zelfstandige zaak in groene alternatieven opzetten. Uiteraard, dit zou een enorme ‘heropvoeding’ betekenen, meer nog: een verplichte (door de staat opgelegde, of tenminste gestimuleerde) heropvoeding, van al deze mensen, wat al serieus dictatoriaal zoniet fascistisch begint te klinken.

 

Voor alle duidelijkheid: daar pleit ik niet voor. Het kan anders. Mochten de plannen en beloftes om ondernemen makkelijker en minder risicovol te maken eindelijk bewaarheid worden, mochten de rechten van zelfstandigen eindelijk gelijkgeschakeld worden, mocht het makkelijker (en lucratiever) worden gemaakt om naast een hoofdactiviteit een bijkomende activiteit uit te oefenen of uit te proberen, zonder er absurde nadelen van te ondervinden, dan kan men er redelijkerwijs toch op vertrouwen dat velen dit zouden proberen, en dat dit tot een nieuwe dynamiek zou leiden in de economie, die uiteindelijk de publieke financieën ten goede zouden komen?

 

Belangrijk element hierin is dat we op niveau van een land spreken, op ‘macro-economisch’ niveau. De staatsinterventies om specifieke ondernemingen te redden gewoon omdat deze zich in een ‘strategische’ sector bevinden, dat heeft geen nut. De staat mag niet bepalen welke ondernemingen al dan niet moeten overleven, ze moet ervoor zorgen dat andere, meer belovende sectoren kunnen groeien. Dit hoeft niet tot een ‘sociaal bloedbad’ te leiden zolang er genoeg ernstige stimulansen zijn voor mensen om nieuwe activiteiten uit te proberen – binnen bepaalde grenzen of richtingen, maar met een beperkter risico.

 

Het zijn hele sectoren, niet enkel de individuele mensen, die de behendigheid moeten verwerven te veranderen, in te springen op de ‘smaak van de dag’.

17:47 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) | Email dit | Tags: economie, trends, nulgroei |  Facebook |

Commentaren

Gandhiaanse economie Op het allereerste artikel plaatste ik een soort 'spirituele' reactie. Op het einde van die reactie gaf ik aan dat ik de vraag naar hoe een anders kapitalisme er zou kunnen uitzien, niet wil ontwijken. Bijgevolg wil ik daar hier een stuk aan toevoegen.

Deze reactie is mijns inziens wel op zijn plaats bij de thematiek van dit artikel.

Zelf vertrek ik vanuit Gandhiaanse principes om aan te geven dat het inderdaad anders kan. Hou bij dit alles misschien wel best in het achterhoofd dat Gandhi ook telkens werkelijk zelf heeft 'uitgevoerd' of 'beleefd' wat hij in theorie verkondigde. Hij blijft dus een historisch voorbeeld van de praktische mogelijkheid.

***

Vanuit mijn spiritueel-theologische invalshoek op een groei-gerichte economie merkte ik op dat economie in functie moet staan van de maatschappij en niet omgekeerd. Het lijkt een boutade, maar dat is het eigenlijk niet. Zelden wordt immers werkelijk de vraag gesteld hoe onze economie precies vorm moet krijgen zodat zij de samenleving het meeste dient. Meestal gaat men er inderdaad heel eenvoudig van uit dat een 'groeiende economie' het beste is voor een maatschappij. Maar dat is meer een veronderstelling dan een werkelijke leidraad. Erger nog, het is een cirkelredenering: Groei betekent welvaart want welvaart wordt gemeten in termen van groei.

Vastgelopen in deze denkfout, vraagt men zich heel zelden af of welvaart werkelijk in groei schuilt. Getuige daarvan het feit dat Frederic als econoom werd opgeleid en als econoom werkt, maar toch nog steeds, via deze blog, naar het antwoord moet zoeken.

Het zijn doorheen de geschiedenis dan ook niet altijd economen geweest die met antwoorden kwamen aandraven. Mahatma Gandhi is daar zo één van. Het word al te vaak over het hoofd gezien dat Gandhi niet alleen een politiek en spiritueel leider was, maar in grote mate ook een 'econoom'. Want laat het duidelijk zijn: Gandhi's idee rond maatschappij-opbouw was in grote mate 'economisch' en niet altijd 'politiek' – waarmee ik bedoel dat hij niet echt de man was van grote staatsinmenging, maar eerder van economische aanpassingen van onderuit.

Voor sommigen misschien onverwacht, maar in feite is Gandhi's visie in grote mate dan ook gelijklopend met heel wat liberale ideeën, en is hij daarin voor een groot stuk zelfs consequenter dan de gemiddelde neo-liberaal. Alleen zet Gandhi sommige dingen ietwat op hun kop. Gandhi beaamt immers wel het liberale 'laat alle mensen in hun werk en productie van overheidswege maar met rust' maar hij voegt er wel aan toe: 'zolang ze de mogelijkheid krijgen (en toegelaten worden) om zo zelfvoorzienend mogelijk te zijn'.

Economische expansie en de veronderstelde welvaart die daarmee gepaard gaat vormen dus niet het vertrekpunt in Gandhi's ogen. Zelfvoorzienendheid is zijn kernconcept.

Het ideaal bestond er voor Gandhi in dat men binnen elk dorp in principe in staat zou zijn om zelf-voorzienend te werk te gaan. (Hij en sommige van zijn volgelingen gaven daarvan trouwens het goede voorbeeld door ook in hun eigen ashrams zelf-voorzienend te zijn.) Het voordeel van zelfvoorzienendheid bestaat er voor Gandhi immers in dat men onafhankelijk wordt. In een zelf-voorzienings­economie hoeft men alleen maar te verhandelen voor die toevallige dingen die men in het eigen dorp niet kan voorzien of voor luxeproducten.

Het was dan ook Gandhi's droom dat India niet door geweld maar door zelfvoorzienendheid zijn onafhankelijkheid kon opeisen. Wanneer men zelfvoorzienend is, is men immers niet meer afhankelijk van de bestaande politiek-economische machten. Wanneer men zelfvoorzienend is, hoeft men zich niet op de kop te laten zitten, en bepaalt men zelf de voorwaarden waaronder men aan de grotere economische markt zal deelnemen.

Zelfvoorzienendheid bereikt men echter pas wanneer men vanuit de grotere politieke structuren genoeg decentralisatie toelaat – wanneer men dus niet van bovenhand gaat bepalen aan welke economische principes de kleine elementen moet voldoen. Even heel concreet: de keuze voor decentralisatie zou betekenen dat de dorpen in Afrika het recht hebben zelf te bepalen welke prijzen ze bepalen voor hun koffie en daartoe niet worden gedwongen door de wereldmarkt.

Een Gandhiaanse economie is dus zeker geen anti-kapitalisme. Een markt gaat het niet uit de weg, en ze maakt die markt er zeker niet minder 'vrij' op – in tegendeel. Het wordt allen een markt waarin iedereen met dezelfde waardigheid aan deel kan nemen omdat zelfvoorzienendheid die waardigheid voor elke individu vrijwaart.

Een belangrijke opmerking moet hier worden toegevoegd: Gandhi vertrekt vanuit de overtuiging dat de waardigheid van elk individu ook nauw verbonden is met de herwaardering van het rurale werk en handenarbeid. Heel eenvoudig geformuleerd: het werk van de boer is van het grootste belang. In plaats van hem de dupe van het systeem te maken, moet de boer gewaardeerd worden voor zijn werk. Doet men dat niet, dan kan men nooit de noodzakelijke waardigheid terug geven aan het merendeel van de wereldbevolking en dan zal zelfvoorzienendheid nooit werkelijkheid kunnen worden.

In een Gandhiaanse economie nemen de boeren dan ook een centrale plaats in. Dat heeft opnieuw concrete consequenties: de boeren (en dus niet de grote industriële bedrijven) centraal stellen doet men o.a. door allerhande misplaatste subsidieregelingen voor specialisatieteelt stop te zetten en door in de plaats daarvan regelgevingen te voorzien die boeren waar ook ter wereld in staat stellen om vanuit variatieteelt zo zelfvoorzienend mogelijk te werk te gaan.

Een Gandhiaanse economie kan dus een alternatief bieden door niet het gehele systeem in vraag te stellen, maar vooral te wijzen op accentverschuivingen. Welke regelgevingen zijn de juiste? Niet diegene die zo snel mogelijk naar zo'n groot mogelijke consumptie en bijhorende 'vrije' markt leiden, maar wel diegene die leiden tot meer decentralisatie gekoppeld aan meer zelf-voorzienendheid en een grotere waardering van het rurale leven.

Niet dat consumeren weg moet, niet dat de markt in een Gandhiaanse economie niet 'vrij' zou zijn, maar de klemtoon kan verschoven worden. Decentralisatie, zelfvoorzienendheid en waardering voor het rurale kunnen een nieuwe leidraad vormen en dat vooral op een moreel-filosofisch niveau – want het is op dat niveau dat de grootste omwenteling nodig is.

Misschien gaan sommigen, wanneer ze dit laatste zinnetje lezen, de wenkbrauwen fronsen. Men denkt soms dat de neo-liberale overtuiging economie en ethiek van elkaar probeert te scheiden, maar in feite is dat niet zo. De huidige neo-liberale manier van omgaan met de wereld is immers verre van waardenvrij en heeft eveneens een heel erg uitgesproken moreel-filosofische ondergrond. Alleen is het zo dat deze moreel-filosofische onderbouw geen concepten biedt om de historisch gegroeide scheeftrekkingen van het mondiale economische systeem te doorbreken of te onttrekken aan de greep van enkele machtsgroepen (zowel politieke, economische als civiele) die een vrije markt wel in woorden verkondigen maar in werkelijkheid meer dan anderen kunnen bepalen wat de precieze regels en grenzen van die markt zullen zijn.

Decentralisatie, zelfvoorzienendheid en waardering voor het rurale kunnen daarentegen het noodzakelijke alternatieve morele begrippen­kader bieden waarbinnen een andersoortig kapitalisme mogelijk wordt.

Gandhi's antwoord op de 'hoe doen we dat dan?'-vraag biedt dus geen functionele of technische verandering maar wel een morele aanpassing als oplossing. Zijn antwoord is de keuze voor een nieuwe morele leiddraad. Niet winstmaximalisatie of groeipotentieel worden zo het doel, maar wel zelf­voorzienendheid. Zelfvoorzienendheid moet als 'het goede' beschouwd worden. Want waarom is het 'goed'? Omdat het mensen in hun waardigheid en rechtvaardigheid hersteld. En dat is, moreel gesproken, natuurlijk een veel waardevoller streefdoel dan een dubieus begrip zoals 'welvaart' dat uiteindelijk vooral in financiële en niet in menselijke termen wordt uitgedrukt.

Ook Gandhi's antwoord ontkracht zo de initiële vraag naar de mogelijkheid van een economische nul-groei. In een economie gebaseerd op zo groot mogelijke zelfvoorzienendheid, is het helemaal geen kwestie of de (financiële) winst groeit, daalt of gelijk blijft. Door zo zelfvoorzienend mogelijk te zijn maakt men zich immers onafhankelijk van andere factoren, zoals macro-economie en marktsdruk. Wie zelf­voorzienend is, staat op zichzelf, los van het groeien of krimpen van de 'globale economie' of 'concurrenten'. Meer nog, wanneer men zelfvoorzienend is, kan men maar bezwaarlijk van concurrenten spreken. Anderen vormen immers helemaal geen enkele economische bedreiging meer – en dat geldt natuurlijk voor zowel individuen, bedrijven als staten.

Waar ik naar toe wil is dit: plaatst men zelfvoorzienendheid centraal, dan wordt winst neutraal. Toename of afname van productie of winst is van weinig belang, zolang men zichzelf kan voorzien. Wil je meer, dan kan dat wel, maar dat is een pure persoonlijke keuze en geen noodzaak, geen 'moeten'. Omgekeerd ook: wil je minder, dan kan dat ook, want kiezen voor verlies kan in sommige gevallen juist zelfvoorzienender maken.

Natuurlijk weet ik ook dat een mens niet eeuwig en altijd zelf-voorzienend kan zijn. Zelfvoorzienendheid kent eveneens een cyclus. Al is het dus misschien het streefdoel, niet elk individu zal op zich zelfvoorzienend (kunnen) zijn. Maar is het niet elk individu, dan toch zeker elk dorp, of misschien niet elk dorp, maar wel een aantal dorpen samen. Veel verder zal men niet moeten gaan om zelfvoorzienendheid waar te maken.

(Behalve natuurlijk in westerse landen waar basiseconomie steeds verder werd weggewerkt en zich totaal afhankelijk heeft gemaakt van een globaal economisch systeem dat overmatig beslag legt op goedkope werkkrachten en grondstoffen in het zuiden om te voorzien in de meeste basisbehoeften. Maar dat is een contextueel probleem, en de vraagstelling was hier eerder filosofisch van aard. De vraag was immers niet 'zou het veel moeite kosten?' maar wel 'is het mogelijk?'. Het antwoord is immers heel eenvoudig: 'ja het is mogelijk, het zal alleen veel moeite kosten.')

Men kan natuurlijk als tegenargument aandragen dat het huidige systeem net is ontstaan vanuit het feit dat mensen niet zelfvoorzienend konden zijn. De huidige economie, zo kan men beweren, is een 'natuurlijk' gevolg op bepaalde problemen waar bepaalde groepen in de samenlevingen zich mee geconfronteerd wisten en die ze niet op zichzelf konden overwinnen. Dat is echter een stapje verder in de discussie en brengt ons naar heel wat andere historische, sociologische en spirituele thematieken die deze tekst onnodig lang zouden maken. Een korte laatste repliek op die opmerking zal dus moeten volstaan. Ik kan immers gewoon terugkomen op het feit dat het hier niet zozeer om een structurele omwenteling gaat maar wel om een morele. In deze uiteenzetting wordt immers niet het principe van economische uitwisseling (lees: een 'vrije markt') in vraag gesteld, maar wel de intentie en attitude waarmee ze wordt uitgevoerd en het doel dat men erin voor ogen houdt. Winstmaximalisatie voor ogen houden maakt mensen de slaaf van de economische uitwisseling, zelf­voorzienendheid voor ogen houden maakt ze de meester. Dus indien zelfvoorzienendheid uiteindelijk niet totaal bereikbaar zou zijn, er zoveel mogelijk naar streven zal toch zeker een heel ander economisch beeld scheppen. Winstmaximalisatie is trouwens evenmin ooit bereikbaar – nog een pak minder zelfs.

Gepost door: Jonas Slaats | 01-12-09

Post een commentaar